Vrijdagavond, als ik thuiskom, kijkt Natasha me een weinig schuldig aan. Of is het juist een medelijdende blik, het voorspelt in elk geval weinig goeds. "De verzekering van onze datsja loopt aanstaande maandag af", zegt ze met een lage doordringende stem. Voordat ik de eventuele gevolgen van deze mededeling op hun waarde kan schatten, vervolgt ze dat ze al gebeld heeft en dat ik morgen om 1 uur een afspraak heb. Kalm merk ik op - was ik altijd maar zo wijs -: "dan moet ik toch wel rond halftwaalf in de trein zitten".
De volgende ochtend voel ik me vol energie als ik wakker word. Het vooruitzicht om een paar uur de stad uit te gaan is bijzonder aantrekkelijk. Ik maak een lunchpakketje, stop een schrift en 'In de naam van de roos' in mijn tas. Om elf uur bereik ik Prospekt Slavi, het kleine stationnetje aan de gelijknamige vrachtroute. Ik ben juist op tijd om de trein te zien vertrekken. Over een uur en tien minuten gaat de volgende. Ik probeer tevergeefs Natasha te bellen om de afspraak met de verzekeringsagent te verzetten. Dan schiet me te binnen dat Kolja gisteren met haar mobieltje zat te spelen en zo'n leuk icoontje van een hoofdtelefoon had geprogrammeerd. In arremoede bel ik tenslotte maar naar de vaste telefoon. Geagiteerd doe ik mijn verhaal en vergeet te vertellen dat ze de beltoon moet aanzetten. Vijf minuten later bel ik nog eens naar de huistelefoon, Natasha heeft de verzekeraars al gesproken, ze komen om twee uur.
Om kwart over één arriveer ik in Viritsa, om de tijd een beetje te doden ga ik diverse winkels binnen en koop uiteindelijk een zakje chips en een flesje cola. Daarna loop ik over de glibberige gemeenschappelijke weg (Kommunalaja Prospekt) naar ons huis. Over de straat ligt een dikke zwarte ijslaag, de meeste voetgangers houden één van de autosporen in het midden weg aan. Zodra er een auto in het zicht komt vlucht iedereen de berm in, in de hoop geen modderspatten op te lopen.
In onze straat heerst een weldadige rust. Ik zie Alla van een afstandje en zie dat de Tjotja Lucia thuis is. Ik maak een praatje met haar en loop via Andrej's tuin naar ons pand. Ik maak deze omweg, omdat ik er van overtuigd ben dat het slot van ons hek aan de straatzijde vastgevroren zit. De dikke sneeuwlaag wemelt van de honden- en vogelsporen, zo te zien is er verder niemand op ons terrein geweest. Ik maak een rondje en ga ons pand binnen. Tot mijn vreugde hebben de muizen ook de wijk genomen. Het valt me op dat we het vrij netjes hebben achtergelaten. Ik ga buiten in de zon staan, in de verte hoor ik de trein voorbij rijden. Na een tijdje neem ik hetzelfde pad door de buurtuinen en ga op de weg staan wachten. Ik kijk om me heen, snuif de frisse lucht op en bedenk dan dat ik iets mis. De kraaien. Ze zijn er niet. Dan komt er een Opel, ongetwijfeld bestuurd door een verzekeringsagent, aangereden.