
Begin juni heb ik Dima gevraagd of ik zijn laptop kon lenen, zodat ik de zomermaanden heerlijk in de tuin kan werken. Nadat hij een paar keer onze afspraak heeft uitgesteld geef ik de hoop op. Half juli komt hij opeens op een avond met het apparaat aanzetten. Vanaf dat moment probeer ik als Guust Flater angstvallig de achterstallige post bij te werken waarbij ik de hete adem van Pruimpit (Peet) in mijn rug voel. Een half schriftje vol, met een alleen voor mij ontcijferbare letters, cijfers en pijlen. Uiteraard word ik daarbij volop gehinderd door de andere gezinsleden, bezoek uit Nederland, de slechte stroomvoorziening, het plotselinge prachtige weer, maar bovenal een gebrekkige zelfdiscipline.
De koude winter heeft haar sporen achtergelaten, de appel- en pruimenbomen hebben nauwelijks gebloeid, twee kersenbomen en meer dan de helft van de aardbeiplantjes zijn doodgevroren. Vanwege de nachtvorst hebben we de tomaten- en komkommerkassen van een extra plastic laag voorzien. We hebben tijdelijke minikassen voor de bieten en de nieuwe rozenstruiken gefabriceerd. We geven de planten warm water voordat we ze bedekken, in de hoop dat ze de lage temperatuur zullen overleven. De paprika’s, de afrikaantjes en de courgetteplanten houden we voorlopig binnen op onze veranda. Al rond het middaguur verwarmen we het huis, tot laat in de avond. We hebben al een aardig gat in de houtvoorraad geslagen. Overdag is het tussen de drie en zes graden. Uitstekend weer om te spitten in de tuin en 's avonds een boek in bed te lezen.
Even kijk ik verschrikt op, ik zit in de duisternis. De stroom is weer eens uitgevallen. Meestal duurt het slechts enkele uren voordat dit euvel verholpen is, maar iets zegt mij dat dat deze keer niet het geval is. Ik kijk uit het verandaraam en zie dat het bij de buren ook donker is. Ik hoef dus de stoppen niet te controleren.
Enige tijd later roept tante Lucia dat we voorlopig zonder stroom zullen zitten, er is namelijk een boom omgewaaid en deze is op de elektriciteitskabel terechtgekomen.
We blijken welgeteld één zaklamp en één kaars in huis te hebben. Ik neem de voorlopige gevolgen in ogenschouw:
Ietwat verveeld besluit ik een kijkje te nemen. Ik verlaat de tuin, loop over onze provisorische brug en betreed de openbare zandweg. Ik zie meteen wat er aan de hand is: er ligt een omgewaaide berk over de weg. In zijn val heeft de boom alle elektriciteitskabels meegenomen. Ik vergaap me aan de precisie, de boom maakt exact een hoek 90 graden met de weg.
De oudere, wat vreemd ogende man die op de hoek woont, staat er al, van lieverlee komen er meer buren op het tafereel af. Er wordt druk gespeculeerd, het zal wel een hele tijd gaan duren voordat er weer stroom is. Tante Lucia vertelt dat haar telefoon ook niet meer werkt, maar dat iemand uit een andere straat de elektriciteitsmaatschappij al opgebeld heeft. Ze zullen vanavond zeker niet komen, er zijn diverse bomen omgewaaid.
‘s Avonds proberen Natasha en ik bij het licht van de zaklamp in bed te lezen, iedere keer als één van ons tweeën een onverwachtse beweging maakt zakt de lamp tussen de kussens weg. De volgende ochtend steek ik de kachel aan, omdat ik de ketel aan de kook wil brengen. Na een uurtje heb ik eindelijk koffie.
Tegen tweeën ‘s middags geeft de plaatselijke GEB acte de presence. De chauffeur bedient de lift, een kraaiennest waarin twee potige kerels zijn geklommen. Als ze een meter of twaalf opgetakeld zijn, gaan ze aan het werk. In een mum van tijd hebben ze de kabels weer bevestigd. De dikke berk die over de weg ligt wordt tegelijkertijd met motorzagen aan stukken gezaagd door de twee overige teamleden. Na een kwartiertje werkt alles weer en zijn alle sporen uitgewist, ik verbaas me over de snelheid waarmee dit gebeurd is.

Boris en Alla, onze buren, gaan een stuk voortvarender te werk. Ze hebben de gehele tuin tot moestuin ingericht. Overal groeit wel iets eetbaars. Met hun sokavarka (een pan in pan, in de binnenste kook je appels met suiker, het sap loopt weg in de buitenste pan, de drab blijft achter) hebben ze vorig jaar genoeg appelsap voor twee jaar gemaakt. Valodja, die schuin tegenover ons woont, haalt jaarlijks zoveel groenten en aardappelen uit zijn eigen tuin dat hij het hele jaar niet naar de groenteboer hoeft. Een hele prestatie, want de bosgrond is niet bijzonder vruchtbaar. Maar dat zijn uitzonderingen, de meeste mensen verbouwen het één en ander voor hun plezier of planten slechts wat bloemetjes en struiken voor de sier.
Jaren geleden was ik op bezoek bij een duizelingwekkend rijk echtpaar, dat een villa had laten bouwen in de buurt van de Finse golf. Alles wat op tafel stond was afkomstig uit de Finse supermarkt, behalve de komkommers, die haalden ze uit de tuin. Die zijn toch het lekkerst merkte de gastvrouw terecht op. Maar meer nog dan dat is het plukken van een gewas in je tuin een magisch moment, het spitwerk, het onkruid wieden en het water geven dat er aan voorafging ben je dan allang vergeten.
Tijdens het eindeloos onkruid verwijderen mag ik graag naar muziek luisteren. Vandaag ben ik in een nostalgische bui en ga op zoek naar de drie cassettes die ik een week voordat ik uit Nederland vertrok heb opgenomen. Op die tapes stond een soort uittreksel van mijn platenverzameling: Fisher Z, Talking Heads, Roxy Music, Meteors, Brood, Chris Isaaks enzovoort, overwegend stammend uit de jaren 70 en 80. Vergeet het maar, samen met de Red Hot Chili Peppers en Abda en Munck blijken ze gestolen. Driftig draai ik aan de knop van de radio en vind een rockstation: DDT, Kino, Semfira en Loebe als doekje voor het bloeden.
Half negen, regen. De langste dag. Bewolkte witte nacht. 15 Augustus 2001 ben ik op het vliegtuig gestapt. Ik heb vaak omgekeken, maar ik ben er sindsdien niet meer geweest. Ik heb twee fouten gemaakt: ik had meer boeken en mijn encyclopedie mee moeten nemen uit Nederland.
Om de komst van de zomer te vieren zullen we vandaag sjasliek roosteren op het houtvuur, maar vanwege het gure weer dineren we in de keuken, dat hoort eigenlijk niet. Wel raken we zo aardig wat sprokkel hout kwijt dat achter in de tuin ligt te rotten.
Natasha heeft haar lesboeken in ons appartement in de stad laten liggen. Morgen geeft ze privé-les ergens in het centrum van de stad, het scheelt haar een hoop tijd als ze niet eerst naar huis hoeft, maar direct door kan reizen. Ik opper dat ik vandaag de boeken wel even op kan halen, ik heb wel zin in een ritje naar de stad. Om één uur verlaat ik de datsja en neem de binnendoorroute over de modderpaden.
Het mooiste transportmiddel is de marsroutska, het maxibusje met een record aantal zitplaatsen, soms wel dertien. Hij rijdt een vaste route, maar je kan in- en uitstappen waar je maar wilt. Het enige waar je op moet letten is dat je niet op de zitplaats achter de chauffeur plaatsneemt, want volgens een ongeschreven wet ben je dan vrijwillig kaartjes verkoper. Je geeft de muntjes en het papiergeld door aan de chauffeur en die drukt jou weer het wisselgeld in handen. Als er net vijf mensen ingestapt zijn kan dat een behoorlijk ingewikkeld karweitje worden. Opvallend is dat iedereen netjes altijd betaalt. Slechts een keer heb ik gezien dat twee schoolmeisjes piepten, de chauffeur had het door, maar hij zei er niets van, ze waren tenslotte maar twee haltes meegereisd.
Ik bevind me in wagon EP2 13.11, toen ik bij de gemeente werkte zat ik in Europoint gebouw 2, 11e etage, in kamer 35, afgekort EP 2 13.35. Ik probeer me te herinneren of er ook een kamer 11 op de verdieping was en of ik daar ooit geweest ben. Het moet haast wel. Elke keer als ik er aan terugdenk voel ik weer de opluchting dat ik dat kantoorpand niet meer hoef te betreden.
De route met de trein kan ik zo langzamerhand dromen, maar ik geniet er altijd weer van en ontdek steeds weer iets nieuws.
Een klein uur later stap ik uit op station Koepchina. Ik koop een hand vol jetons en reis twee haltes met metrolijn twee en stap uit op Moskovskaja. Als ik boven ben, komt juist bus 11 aanrijden. Tegen drieën ben ik thuis. De lesboeken heb ik snel gevonden, vervolgens vul ik mijn rugzak met schone kleding en beantwoord de emails. Kwart voor vier sta ik weer buiten en reis de omgekeerde weg, een half uur later sta ik op het platform, drie minuten later loopt de trein binnen. Het is een soort intercity electritska, die onderweg alleen maar op 21 km, Djetskoje Selo (Pushkin) en Pavlosk stopt. Om tien over vijf ben ik weer in Virtisa. Qua afstand een retourtje Rotterdam - Amsterdam, in geld uitgedrukt (40 roebel trein, 14 metro, 12 bus) twee euro.
Status quo, de Eurythmics en de Cult hebben in elk geval gemeen dat hun beste liedje over de regen gaat. Ik stel me zo voor dat Dave Stewart verveeld op zijn gitaar tokkelde in een goedkope zolderkamer met vergeeld behang en verfloze plinten. Een geopende jampot op een vlekkerige eettafel, twee vergeelde matrassen op de houten vloer. Annie Lennox stond met haar rug naar hem toe en staarde door het vensterraam naar de met plassen bedekte verlaten straat in een trieste buitenwijk in Londen. Toen schoten haar de woorden als vanzelf te binnen.
In mijn pupillentijd bij de Christelijke Voetbal Vereniging Berkel was regen op zaterdagochtend het grootste ongeluk dat je kon overkomen. De onvermijdelijke afgelasting van een wedstrijdje tegen ‘t Noorden, Aeolus of Groen Wit, daalde uit de hemel neer. Vanuit mijn slaapkamer op de tweede etage van een eurowoning in de Forsytiastraat kon ik dit onrecht niet vatten. Geen fietstochtje in het verschiet over de Lindelaan, het doorsteekje langs de kleuterschool, de beklimming van de met keien belegde terp van de Katholieke kerk, ‘de muur van Berkel’, rechts de boek- en tijdschriftenhandel van Mieke van de Burg, de angstige oversteek van de Noordeindseweg waar de vrachtwagens zo hard reden, het holletje af na de brug richting de manége, de flauwe bocht naar links, langs de tennisvereniging, de vijand TOGB, eindigend op het parkeerterrein van CVV waar de patatcaravan al klaar stond.
Ik sta een beetje verkleumd in het gereedschapschuurtje en in deze ongemakkelijke houding maak ik wat aantekeningen in mijn schoolschriftje. De fietsen staan ook in het schuurtje zodat er ongeveer een vierkante meter voor mij overblijft. De weersverwachting luidt tien graden en de gehele dag regen. Geen verandering ten opzichte van de afgelopen dagen dus. Het is de natste en koudste zomer sinds jaren, kortom een goede bron van ergernis en inspiratie. Niets wil me vandaag te binnen schieten.
Dinsdagavond zijn we met z’n drieën naar de stad gereisd. Het plan voor de volgende dag is als volgt: Natasha gaat ‘s ochtends terug naar Viritsa om de verzekering van de datsja in orde te maken en Kolja en ik gaan naar het ziekenhuis voor de controle van zijn arm. Hoe het daarna verder gaat is niet geheel duidelijk, het is de bedoeling dat er foto’s gemaakt worden, het gips verwijderd wordt en afspraken gemaakt worden over de massage van zijn arm. Naar alle waarschijnlijkheid zullen Kolja en ik een paar dagen in de stad moeten blijven.
Om kwart over negen verlaten Kolja en ik het appartement in de stad. Het is heerlijk weer, ik denk dat het wel een graad of achttien is. We nemen marsroutka 338 naar het metrostation, daar stappen we over op bus 130 naar het ziekenhuis.
Tegen tienen melden we ons bij de dokter, ze verzoekt ons plaats te nemen in de wachtkamer, in het midden latend wanneer ze komt. Vorige keer hebben we twee uur moeten wachten en toen werd het verbandje binnen twee minuten verwisseld. Daarvan geleerd heb ik in mijn rugzak speelgoed, snoep, koekjes, crackers en een fles Baikal (plantenfrisdrank, iets lichter van kleur dan cola) zitten.
Terwijl Kolja een autootje over een brancard laat rijden, laat ik de omgeving op me inwerken. Het witte plafond is zo te zien niet al te lang geleden geschilderd, de muren zijn lichtgroen gesausd. Door de gehele gang loopt een houten leuning op circa vijftig centimeter van de grond, ik heb geen idee waar hij voor dient. Gekreukeld en hier en daar gescheurd vinyl met grenenopdruk en opgedroogde stukjes kauwgom op de vloer. Boven ons klinkt een zeurderige boor, de achtste etage wordt gerenoveerd.
Uit verveling lees ik de aankondigingen aan de muur.
Klasse A: kosten 450 roebel, maar daarvoor heb je een tweepersoonskamertje, een
televisieaansluiting op de kabel en mag een ouder ‘s nachts op een stretcher bij zijn of haar
kind blijven.
Klasse C: kosten 150 roebel, dan mag je geloof ik gebruik maken van de koelkast in de
gemeenschappelijke ruimte en de recreatieruimte. Klasse B bestaat zo te zien niet. Het wordt me
niet duidelijk of de bijbetaling per week, per maand of éénmalig geldt. Na enig tobben houd ik
het op het laatste.
Een half uurtje later wordt het gips verwijderd en even later worden de röntgenfoto’s gemaakt. Vervolgens moeten we tot het middaguur wachten op de dokter. Haar uitspraak luidt: Kolja mag weer fietsen, zwemmen en massages zijn ook niet nodig, over twee weken zal ook de ijzeren pen uit zijn arm verwijderd worden.
Twee minuten later staan we buiten. Het is inmiddels behoorlijk warm geworden. Ik word door een mevrouw aangesproken, knik beleefd ja en loop verder, een meter of vijftig verder kom ik erachter dat ik nog steeds de plastic hoesjes om mijn schoenen draag.
Een afgeladen bus 130 rijdt voorbij. Vervolgens stopt Marsroutka 246 bij onze halte, ik lees dat deze rechtstreeks naar Koepchina gaat. ‘Laten we direct naar de datsja reizen’ stel ik voor, ‘dan kunnen we vanmiddag nog zwemmen'. Bovendien is het een leuke verrassing voor Natasha, want die wacht op ons telefoontje met de mededeling dat we de komende dagen in de stad zullen moeten bivakkeren.
Rond half drie betreden we de tuin van de datsja. Geen Natasha. Misschien ligt ze aan het strand te zonnen. Oma vertelt dat Natasha een half uurtje geleden in paniek gebeld heeft. Ze heeft op ons zitten wachten in het appartement, omdat ze het zielig vond dat wij met zulk weer gedwongen waren in de stad te blijven. Ze begreep niet waar wij bleven. Tegen vieren pak ik de fiets uit het hok en rijdt naar het station. Natasha is stomverbaasd, maar ook opgelucht als ze mij ziet.
Tijdens het avondeten herinnert Natasha zich dat ze, in de stellige zekerheid verkerende dat wij elk moment thuis zouden komen, de wasmachine aangezet had en alle ramen en de balkon open had laten staan. Wij lopen naar het riviertje, ik neem een duik, kleed me vlug weer aan en kuier dan weer terug naar het station. 'A lone and longsome cowboy' (Lucky Luke).
Gisteren hebben we de hele dag bij het riviertje liggen zonnen. Het was heet: vijfentwintig graden, maar het water was nog erg fris. Kolja heeft eindelijk weer de volledige beschikking over zijn rechterarm, maar hij lijkt wel stijf links geworden.
De afgelopen nacht ben ik diverse keren door de hitte wakker geworden. Om tien voor zes sta ik uiteindelijk maar op. Ik zet koffie, kook een paar eieren en begeef me naar de tuin. Bosja zit al op me te wachten en smeekt om vissoep.
Gisteren zijn Andrej, Galja, Asja en Vladic met alle huisdieren: drie honden, drie poezen en twee papagaaien gearriveerd, ook de andere buren: Alla, Boris en hun dochter Lena hebben nu permanent de datsja betrokken. Tante Lucia heeft haar veertienjarige jarige kleindochter uit Estland op bezoek en spreekt er schande van dat het meisje al interesse voor jongens heeft opgevat. Het is veel drukker op straat en in de winkels. Links en rechts wordt gebarbecued. De vakantiekampen langs de gemeenschappelijke weg zitten vol met kinderen en pubers, naast de overvolle vuilcontainers liggen bergen huishoudafval, de buurtwinkel heeft haar openingstijden verruimd tot tien uur ‘s avonds. Het zomerseizoen is nu echt begonnen.
De wilde rozen zijn door de aanhoudende regen vroeg uitgebloeid. Een uitstekend moment om de struiken te snoeien, bedenk ik tijdens mijn ochtendwandeling door de tuin. Aangezien de doornen zo scherp zijn dat ze dwars door de handschoenen heen steken zie ik maar helemaal af van beschermende kleding. Nadat ik klaar ben verwijder ik de stekels uit mijn handen, slechts een stukje in mijn duim krijg ik niet verwijderd, ik sla er verder geen acht op.
Drie dagen later is mijn duim een beetje opgezet. ’s Avonds bemerk ik dat het me een beetje begint te belemmeren, het bultje begint ook pijn te doen. Ik pak een naald, brand deze zorgvuldig schoon met een lucifervlammetje en prik een gaatje in het bolletje, er komt een druppeltje etter uit. Hierna haal ik met de naald de hard geworden huid weg. Het valt niet mee om de splinter te bereiken. Het is trouwens sowieso veel gemakkelijker om een splinter uit iemand anders zijn hand te verwijderen dan uit je eigen hand. Eerst zit ik er niet goed voor, dan werp ik mijn eigen schaduw over het broodnodige licht, vervolgens prik ik de naald veel te diep ik het vlees. Na een minuut of twintig voorzichtig peuren plakt er plotseling een minuscuul klein topje van een doorn aan de naald. Opgelucht haal ik adem, om zeker te zijn van mijn zaak duw ik ferm met mijn duim op het tafelblad. Dat had ik beter niet kunnen, want het doet goed zeer. Er blijkt nog zo’n gemeen stukje verborgen te zitten.
Gisteravond was het weer al een stuk aangenamer. Maar nu, ‘s ochtends vroeg schijnt de zon in volle glorie. Kolja heeft me opgedragen een kasteel voor hem te bouwen. Dit soort opdrachtjes leiden immer tot enerverende discussies, hij weet niet wat hij wil en weet dat ik het toch niet kan. Meestal eindigt hij de polemiek met ’maar dan hoef je toch niet boos te worden’. Daar heeft inderdaad groot gelijk in, er is geen reden om geagiteerd te raken over je eigen tekortkomingen.
Na een korte adempauze komen we tot een mooi compromis, van een uiteen gevallen lade en een tafeltje construeren we een vijfenzeventig centimeter hoog huisje met puntdak, drie etages en een zolder. Op zijn aanraden zaag ik twee ramen ter hoogte van de tweede verdieping uit en bevestig een deurtje op de begane grond. Met de toevoeging van een scharnier en een handvatje is de entree compleet. Over de gehele voorkant heb ik wagonka’s (een laag dunne verticaal staande latjes die als versiering over de horizontaal liggende boomstammen van de datsja wordt aangebracht) getimmerd en het gebouwtje koffie met melk kleur geschilderd, waardoor het poppenhuisje het uiterlijk van een mini datsja krijgt. Het resultaat valt alleszins mee. Voor het ene raampje hangen we een gordijntje op, het andere raam maken we dicht met een platgespijkerde plasticfles. Batman, spinneman (tjelavak paoek) en de commando hebben het pand direct betrokken.
Terwijl ik lekker lig bij te komen van een zonnige dag aan het strandje word ik opgeschrikt door Natasha’s stem. Bosja heeft een eekhoorntje gevangen. Hij speelt er een beetje mee, waarschijnlijk vindt hij zijn prooi veel te behaard voor consumptie. Het is een prachtig exemplaar, nog helemaal gaaf, slechts in de hals zijn de dodelijke afdrukken van het gebit van Bosja te zien. Het moet een erg jong beestje zijn geweest, want normaal gesproken laat een eekhoorn zich niet door een kat verschalken.
Kolja jaagt Bosja woedend met zijn houten zwaard op. Even later geeft Galja Kolja een plausibele verklaring, ‘voor Bosja is een eekhoorn niet meer dan een harige muis die in bomen klimt en door de lucht zweeft’. We besluiten een plechtige ter aardebestelling te organiseren. Achter in de tuin tussen de, door de bladluizen kaalgevreten, kersenbomen graven we een kuiltje voor het arme beestje, ter nagedachtenis leggen we drie kiezels neer en steken een takkenkruisje in de grond.
Al drie dagen schijnt de zon en is de hemel onbewolkt. Ruim een maand te laat is de zomer dan toch aangevangen. Het snelstromende water van het riviertje voelt nog steeds wat kil aan, zeker als je ligt te verbranden in het gras aan de oever. Vreemd genoeg kan ik me nu al geen voorstelling meer maken van de verregende junimaand, alleen de sterk geslonken houtvoorraad rest als herinnering aan de koude dagen.
Ik zoek mijn favoriete plekje midden in het riviertje op, draai op mijn rug en laat me meedrijven met de stroming. Ik hoor de stemmen van de spelende kinderen in het zand niet meer. Tv kijken zonder geluid. Vanuit mijn plek is het water de vrijheid en de oever de grens. Nog een maand en dan ben ik twee jaar weg uit Nederland. Hoewel ik aardig wat heb moeten slikken, overheersen de positieve zaken. Als je rond je veertigste een nieuwe taal en alles wat daarbij hoort cadeau krijgt moet je niet zeuren. Ook zijn de problemen die bij deze zelfveroorzaakte isolatie horen eerder verrijkend dan onheilspellend. Je wordt gedwongen daar een beetje inventief mee om te gaan, anders word je doodongelukkig en zit er niets anders op om terug te keren naar Nederland.
De berichten over de verplichte inburgeringcursus in Nederland komen op mij wat absurd over. Ik mag hier wonen, omdat mijn vrouw Russische is, verder moet ik mijn weg maar zien te vinden. Weinig rechten, maar ook weinig plichten. Al moet ik ook bekennen dat het me heel erg makkelijk gemaakt wordt: op school, op straat, in de bus en in de winkel, alles gaat in het Russisch. Zelfs de buitenlandse televisieseries en films zijn allemaal nagesynchroniseerd.
Ik hou niet zo van mieren. Het zijn bewonderswaardige ijverige beesten en waarschijnlijk nog nuttig ook, maar altijd als ik een nieuw perkje aanleg ik de tuin graaf ik wel een paar nesten op. Vorig jaar was ik de sla aan het herschikken en kreeg een hevige jeuk in mijn oor. Nietsvermoedend krabde ik even en schudde mijn hoofd heen en weer, direct daarop viel een rode mier naar beneden. Hij had nog juist kans gezien om me te bijten. Al gauw ging de oorpijn over in een fikse hoofdpijn, die gelukkig na een minuut of tien weer wegtrok.
Eergisteren werd mijn zonneslaapje aan het strand verstoord door iets kietelends in mijn zwembroek. Verveeld opende ik mijn ogen en ging op zoek naar de ordeverstoorders. Tot mijn ontzetting zag ik vijf exemplaren rondlopen. Vliegensvlug richtte ik mij op ten einde mijn ongewenste gasten op een verkwikkend bad te trakteren. A-priori hadden ze echter al maatregelen genomen, waardoor het enige tijd duurde voordat ik op comfortabele wijze mijn dagdromen in de zon weer kon voortzetten.
De boomtoppen beginnen gevaarlijk heen en weer te schudden, een sissend, draaiend geluid lijkt vanuit alle richtingen op mij af te komen. In de verte klinkt gedonder. De lucht is bewolkt met af en toe een lichtblauw gaatje, verder weg knijpen de donkere grijze wolken de lichter gekleurde luchtlagen fijn. Terwijl de omsingeling in hoog tempo verloopt, houdt het plotseling op met waaien en wordt het akelig stil. Is dit nu de stilte voor de storm, vraag ik me af.
De eerste druppels vallen, snel zwelt de regen aan, na enige tijd lijkt het wel of het met emmers tegelijk naar beneden komt. De olievaten zijn na enkele minuten al gevuld met vers regenwater. De bliksem is kilometers van ons vandaan en verplaatst zich in een hoog tempo naar het noorden. Na een minuut of tien is de stortbui over, een lange zwarte streep hangt als aandenken in de lichtblauwe hemel.
Een uurtje na het onweer gaan we bosbessen plukken in een klein stukje overgebleven bos waar geen datsja’s gebouwd zijn. Deze week en volgende week is het bosbessentijd. Een taart met verse bosbessen is een ware lekkernij heeft Natasha mij doen geloven. Ik haal twee glazen liter potten van zolder.
Natasha zoekt tegelijkertijd naar paddestoelen, het mag dan een slecht fruitjaar zijn, bossenbessen en paddestoelen zijn er voldoende. Kolja plukt niet mee, hij heeft last van de insecten en de warmte. De zon begint te schijnen en het wordt geweldig vochtig en benauwd in het bos. Ik heb een gruwelijke hekel aan paddestoelen zoeken, maar bosbessen plukken vind ik leuk, dat ik daarbij door dezelfde muggen word gestoken, neem ik op de koop toe. Na anderhalf uur plukken zijn beide potten vol, voldoende voor vier bosbessentaarten. We hebben zwarte vingertoppen en paarse nagels. We brengen de bosbessen naar huis en pakken ons zwemgoed.
‘s Avonds roer ik wat suiker door de bessen terwijl Natasha het deeg maakt. Ons oventje neemt zijn tijd om zich op te warmen, er is weer eens weinig stroom. Als de taarten klaar zijn laten we ze een minuut twintig op het keukenkastje in de entree afkoelen. De taarten smaken inderdaad wonderbaarlijk lekker. Het is intussen opnieuw gaan regenen, ver van ons vandaan klinkt het onweer.
Bonte kraaien zijn hele bijzondere beesten, ‘s ochtends vroeg wekken ze me vaak met een onheilsspellend kar-kar-kar. Ook bezorgen ze me de kriebels, omdat ik het gevoel krijg dat ze me aanstaren. Soms lijkt het wel of ze elkaar nieuwtjes doorgeven, van verre hoor je te keer gaan en het geluid zwelt aan tot de beesten in onze tuin zijn ingelicht, die op hun beurt de buurkraaien op de hoogte stellen, waarna de herrie in de verte wegebt.
Op een avond rond elven zien we de boomtop van een dennenboom aan de overkant van de straat bewegen, op het hoogste en tamelijke zwakke topje zit een bonte kraai. Ik vraag me af of hij daar slaapt. Even later zie ik tot mijn verbazing twee bomen verder weer een kraai zitten. Ik zoek alle bomen af en vind welgeteld zes exemplaren, allemaal in het hoogste topje. ‘Ze houden een vergadering’, zegt Natasha.
Aanvankelijk zou het drie dagen mooi weer zijn, toen een week, inmiddels is het al twee weken heet. De afgelopen dagen is het zelfs zo erg dat ik om het half uur het water in vlucht om een beetje af te koelen. ‘s Avonds giet ik liters water naar binnen om mijn dorst te lessen. Twee wonderen zijn er geschied, de tomaten beginnen oranje te kleuren en de voorheen verpieterende paprikaplanten hebben ineens trotse mini paprika’s. Tot mijn verbazing groeien de paprika’s met de onderkant naar boven.